woensdag, 08 juli 2015 17:08

Voorjaarsnota 2015 (cultuur)

Voorzitter,
Ik dank u. Zoals u van de spreker vóór mij reeds hebt kunnen horen, is de PVV kritisch. Kritisch over de Voorjaarsnota. Eigenlijk is de PVV de enige oppositiepartij, want ik durf te voorspellen dat de andere partijen gewoon braafjes voor zullen stemmen.

Voorzitter,
Ik ben blij hier vandaag, voor het eerst, te mogen spreken, en wel over het onderwerp 'cultuur'. En ik ben ook blij dat de Cultuurgedeputeerde vandaag bij ons aanwezig is. Bij de afgelopen commissievergadering Bereikbaarheid en Openbaar Vervoer en Cultuur schitterde zij door afwezigheid. En dat was een teleurstelling. De daar aanwezige Statenleden hadden op haar komst gerekend om over het zogeheten 'Cultuurmanifest Oost-Nederland' te spreken. Ja, je moet ervan houden... Máár – zo kan ik de Cultuurgedeputeerde verzekeren – wat in het vat zit, verzuurt niet.

Hoe dan ook, Voorzitter.
Ik ga het hebben over de Voorjaarsnota – over cultuur. En om positief te beginnen, zeg ik: ik ben dol op cultuur. En dan met name de Nederlandse cultuur; dat dan weer wel... (De aanwezige Statenleden kunnen hier dan wel lacherig over doen, maar...) Feit is dat begrippen als 'cultuur' en ook 'kunst' zeer subjectief zijn. Wat de één cultuur of kunst vindt, vindt de ander juist niet. De één vindt een dansvoorstelling cultuur; de ander niet.  Er zijn mensen, waaronder ikzelf, die de schilderijen en tekeningen van Anton Heyboer kunst vinden; er zijn ook mensen die dat juist niet vinden. Uiteraard zijn dergelijke meningsverschillen prima; voor mij doen die er niet eens toe. Want wie ben ik? Ik ben volksvertegenwoordiger, ik ben PVV'er; het gaat erom wat de burgers vinden. De verschillende opvattingen omtrent kunst en cultuur worden dan ook pas interessant wanneer er geld mee gemoeid is – belastinggeld, opgebracht door de burgers, dat door het College gespendeerd wordt aan kunst- en cultuurprojecten waar geen burger om heeft gevraagd.

Voorzitter,
Laat ik helder zijn: in principe is de PVV tegen kunst- en cultuursubsidies, en ik weet dat wij wat dat betreft van mening verschillen met het College. Juist daarom wil ik de volgende, wellicht simpel klinkende maar belangrijke vragen stellen: hoe definieert het College 'kunst' en 'cultuur'? En welke maatschappelijke waarde dicht het College 'kunst' en 'cultuur' toe? En geen wollig, onbegrijpelijk verhaal, alstublieft; graag een concreet antwoord. Geld is immers ook concreet. En het is op basis van de antwoorden op deze vragen dat er kunst- en cultuursubsidies worden verstrekt aan door het College bepaalde personen en organisaties, waarmee het College feitelijk 'vaststelt' wat kunst is en wat cultuur is. Ik kijk uit naar de reactie.

Voorzitter,
Het College heeft kunst en cultuur hoog in het vaandel staan. Daar hangt een prijskaartje aan van zo'n 23 miljoen euro. Waar gaat dit geld concreet heen? Het is te veel om allemaal te noemen. Ik licht er enkele zaken uit.

Kwatta, een jeugdtheater. In de Voorjaarsnota 2014 hebben de Staten een bedrag van 207.872 euro gereserveerd voor de transitie van Kwatta naar een ondernemend jeugdtheater. In 2014 is hiervoor reeds 160.377 euro beschikbaar gesteld. 'Ondernemend jeugdtheather' – klinkt sympathiek. Van Dale definieert het woord 'ondernemen' als volgt: 'op zich nemen'. Interessant. Voor het woord 'ondernemer' hanteert het woordenboek deze definitie: 'iemand die een bedrijf voor eigen rekening uitoefent'. Ook interessant. Met andere woorden: Kwatta dient zelfstandig, financieel zelfstandig, te worden. Goed idee. Maar hoe wil men dat gaan bereiken? Met subsidie! Vindt het College dit niet tegenstrijdig? En waar wordt deze subsidie concreet voor gebruikt? Kan het College garanderen dat Kwatta, ná het verstrekken van deze gelden, volledig zelfstandig zal zijn en géén verdere subsidies nodig zal hebben? Kan het College garanderen dat Kwatta een groot succes zal worden?

Voorzitter,
Graag hoor ik het College deze vragen beantwoorden. De laatste van de vragen die ik zojuist stelde, is echter retorisch. Wellicht help ik het College bij de beantwoording door er het volgende aan toe te voegen: in de Voorjaarsnota 2015 wordt aan de Staten voorgesteld het resterende bedrag van 47.495 beschikbaar te stellen voor – en nu komt het – het vergroten van het weerstandsvermogen van Kwatta. Wat verstaat het College onder 'weerstandsvermogen'? Volgens mij betekent het: 'het vermogen van de onderneming om ook in ongunstige tijden haar activiteiten te kunnen voorzetten'. Of wordt hier iets anders bedoeld? Ten eerste vraag ik het College in dit kader: waarom moet het weerstandsvermogen van Kwatta vergroot worden? Ten tweede vraag ik: wordt hiermee dan niet geïmpliceerd dat Kwatta het – en dan zeg ik het voorzichtig – 'financieel zwaar' gaat krijgen en dat de transitie naar ondernemend jeugdtheater dus géén succes zal worden?

Voorzitter,
Ik ben zo vrij deze vragen ook zélf, resumerend, te beantwoorden: er is een theater. Dat theater ontvangt subsidie. Het theater moet 'ondernemender' worden; dus geen subsidies meer. Hoe wil men dat bereiken? Met subsidie. Het gaat waarschijnlijk allemaal geen succes worden; dus moet het weerstandsvermogen vergroot worden. Hoe? Wederom met subsidie. Dat is de 'logica' van het College.

En, Voorzitter,
Kwatta is, wat deze onlogische logica betreft, niet het enige voorbeeld. In het algemeen moet de kunst- en cultuursector 'ondernemender' worden. Maar uiteraard wél met subsidie. Op 25 september 2013 is eenmalig maximaal 2.207.000 euro aan transitiesubsidie voor Cultuurmij Oost beschikbaar gesteld. Nu wordt in de Voorjaarsnota 2015 voorgesteld een budget van 700.000 euro aan aanvullende subsidie toe te kennen – met de bedoeling dat Cultuurmij Oost een 'meer marktgerichte organisatie'. Ja, met subsidie. Voor de bühne klinkt het allemaal zo leuk: 'ondernemender worden', 'meer marktgericht'... Maar dat is het dan ook: puur voor de bühne.

Want, Voorzitter,
Kunst en cultuur blijven uiteraard de speeltjes van de elitaire bestuurders. Zo ook de privékunstcollectie van Provincie Gelderland – met een budget van 50.000 euro per jaar. "De collectie dient in eerste instantie als aankleding van de provinciale gebouwen, zowel in de openbaar toegankelijke ruimten als in de kantoren van bestuur en medewerkers," zo werd mij in antwoord op schriftelijke vragen (PS2015-324) medegedeeld. En in tijden van bezuinigingen of crises gaat de provincie doodleuk door met het uitbreiden van haar privécollectie. Maar natuurlijk, kunst kopen is leuk en moet gewoon doorgaan – wat er ook gebeurt. Men wil "als trotse ambassadeurs de kwaliteit van de beeldende kunst [...] uitdragen in binnen- en buitenland". Zo zo. En dat wil men juist in tijden van economische recessie blijven doen, zo werd mij geschreven. Ja, juist in tijden van economische recessie: kunstwerken kopen. Ja, dat zou de gewone burger misschien ook wel willen. Maar ja, de gewone burger behoort niet tot het clubje van elitaire bestuurders...

Tot slot, Voorzitter.
Nu ik het toch over kunstwerken heb: ik meen mij te herinneren dat ik aan u, geachte Voorzitter, na afloop van het 'duidingsdebat' in maart van dit jaar een schilderij heb aangeboden – een cadeau voor de Statenleden. Aan het einde van haar betoog in het debat over het coalitieakkoord heeft mijn collega, mevrouw Faber, aan u gevraagd waar men dit schilderij kan bewonderen. Als afsluiting van mijn betoog stel ik deze vraag nogmaals: waar is het schilderij? Waar kunnen wij genieten van dit mooie én goedkope schilderij van zo'n 10 euro?

Voorzitter,
Ik dank u.

926 keer gelezen